H2 & H1: nakijkmodel

Wat moest je maken:

Wat moet je doen:

Hoofdstuk 1, paragraaf 1:
tekstboek pagina  8+9
werkboek vanaf pagina 4 opdracht 1, 3 en 6

Hoofdstuk 1, paragraaf 2:
tekstboek pagina  10+11
werkboek vanaf pagina 7 opdracht 9, 12 en 14

Hoofdstuk 1, paragraaf 3:
tekstboek pagina  12+13
werkboek vanaf pagina 10 opdracht 1 en 3

Hoofdstuk 1:
werkboek pagina 16 en 17: maak alle begrippen en de samenvatting. (gebruik je tekstboek)

Hoofdstuk 2, paragraaf 1:
tekstboek pagina  18 + 19
werkboek vanaf pagina 18 opdracht 3,10 en 11

Hoofdstuk 2, paragraaf 2:
maak je werkblad van cyberbully af. Lever in voor punt na de vakantie!!

Hoofdstuk 2, paragraaf 3:
tekstboek pagina  26 + 27
werkboek vanaf pagina 22 opdracht 1,4,6 en 11

Hoofdstuk 2, paragraaf 4:
tekstboek pagina  30+31
werkboek vanaf pagina 26 opdracht 1, 4, 10 en 12

Hoofdstuk 2, paragraaf 5:
tekstboek pagina  34 +35
werkboek vanaf pagina 29 opdracht 2, 4, 5 en 8

Hoofdstuk 2:
werkboek pagina 31 tot 33: maak alle begrippen en de samenvatting. (gebruik je tekstboek)

Wat zijn de antwoorden:

Hoofdstuk 1: Wat is maatschappijleer?

Paragraaf 1:

Opdracht 1  blz. 4

  1. a. Eigen uitwerking leerling.

Bron 1 geeft aan dat 54 procent van de Nederlanders de slechte economie als het grootste probleem ziet.

Neem enkele uitwerkingen van leerlingen en bespreek die met de klas. Is de klas het eens met de aangedragen problemen?

  1. Eigen uitwerking leerling.

Voorbeelduitwerking:

(slechte economie) In het thema Werk, want daarin leer je hoe belangrijk het hebben van een baan is en hoe Nederland zorgt voor mensen die geen werk hebben.

  1. Je leert hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zit. Je leert hoe belangrijke beslissingen worden genomen. Voor sommige beroepen en studies is maatschappijleer een belangrijk vak, bijvoorbeeld bij de politie, de zorg of de media.

Soms is het van belang dat je weet wat er in de wereld gebeurt en hoe je daar met een goede mening over mee kunt praten. Denk aan beroepen en hobby’s waarin je veel verschillende mensen ontmoet: zieken- en ouderenverzorger, kapper, trainer, veel beroepen in het onderwijs en bij de media, enzovoort.

 

Opdracht 3.   Eigen uitwerking leerling.

Voorbeelduitwerking:

–      Als ik mijn rijbewijs wil halen, heb ik hulp nodig van mijn ouders (betalen de lessen) en de rijinstructeur (geeft les).

–      Als ik op vakantie ga, ben ik afhankelijk van mijn ouders (betalen deels de reis), de piloten van het vliegtuig, het hotelpersoneel dat mijn kamer schoonhoudt, de kok van het hotel, enzovoort.

–      Om met mijn mobiel te kunnen whatsappen, ben ik afhankelijk van de internetprovider, de maker van de app, de router die voor wifi zorgt, de energiemaatschappij die voor het opladen van de batterij zorgt, enzovoort.

 

Opdracht 6    Met wie ga je om?  blz. 5

 

A t/m E    Eigen uitwerking leerling.

Opmerking: als twee leerlingen hun sociogram met elkaar vergelijken, kunt u als aandachtspunten meegeven: zijn de zakelijke of persoonlijke relaties in de meerderheid? Vinden de leerlingen het lastig om een lijn extra dik (= sterke band) te maken?


 

Paragraaf 2:
Opdracht
9    Welke normen en waarden?  blz. 7 Voorbeelduitwerking:

regel / norm waarde
1.  Verkeer In de stad mogen auto’s niet harder dan 50 km/u. veiligheid
Op de scooter / brommer draag je een helm. veiligheid / gezondheid
  Doel: meer verkeersveiligheid.  
2.  School Geen telefoons aan in de klas. respect / fatsoen
Niet spieken. eerlijkheid
Doel van ‘telefoon uit’: rust in de klas.
Doel van ‘niet spieken’: een eerlijk verdiend cijfer.
3.  Gezin Er wordt om 18.00 uur samen aan tafel gegeten. saamhorigheid / gezelligheid
Handen wassen voor het eten. hygiëne
4.  Sportclub Na de wedstrijd geef je de tegenstander een hand. sportiviteit
Voor elke training doe je een warming-up. gezondheid
5.  Werk Je bent op tijd aanwezig. betrouwbaarheid
Je laat je werkplek netjes achter. ordelijkheid

 

Opdracht  12 In het Nieuws: ‘Rappers mogen alles zeggen’  blz. 8

 

A     –      Waarde T-Bizzle: vrijheid van meningsuiting.

–      Waarde schooldirecteur: veiligheid, gehoorzaamheid (aan docenten en schoolleiding).

B     Eigen uitwerking leerling.

Voorbeeldantwoorden:

–      T-Bizzle is terecht van school gestuurd, want de schoolleiding kan het niet accepteren dat een docent wordt bedreigd. Dan voelt een docent zich niet meer veilig. Bovendien is iemand bedreigen strafbaar.

–      T-Bizzle is niet terecht van school gestuurd, want het gaat maar om een raptekst en dat valt onder de vrijheid van meningsuiting.

Opmerking: T-Bizzle maakte de tekst omdat de leraren meisjes seksueel zouden hebben geïntimideerd. Maakt dat nog verschil voor de leerlingen? Mag je over de schreef gaan als je een misstand aan de kaak wilt stellen?

 

Opdracht 13 Wat doe je?  blz. 8

De vraag die de leerlingen voor zichzelf moeten beantwoorden is: in welke situatie houd ik vast aan mijn eigen normen en waarden?

Opmerking: de vriend in het verhaal wordt door politie en justitie een ‘geldezel’ genoemd. Hij stelt zijn pinpas beschikbaar voor criminele doeleinden. Dit is strafbaar. Als een geldezel gepakt wordt, zijn de gevolgen ernstig. Er volgt een boete, taak- of gevangenisstraf en de dader krijgt een strafblad. Ook moet hij al het geld terugbetalen dat met zijn pas geïnd is. Dat kunnen forse bedragen zijn. Een nadelig gevolg op lange termijn is dat de dader een financieel misdrijf heeft gepleegd en daardoor op een zwarte lijst komt te staan. Hierdoor kan hij later geen lening afsluiten voor een studie of een hypotheek krijgen voor de aankoop van een huis.

 

Paragraaf 3:

Opdracht 1 blz. 10

  1. Discriminatie is een maatschappelijk probleem:

–      Veel mensen hebben er last van: jongeren, ouderen, gehandicapten, vrouwen, allochtonen, enzovoort.

–      Er zijn verschillende meningen over: mensen verschillen van mening over hoe streng je tegen discriminatie moet optreden. Mensen die discrimineren vinden zelf vaak niet dat ze discrimineren.

–      De media hebben veel aandacht voor mensen die gediscrimineerd worden: bijvoorbeeld jonge allochtonen die geen baan kunnen vinden of jongeren die door hun seksuele geaardheid geweigerd worden voor een stageplaats.

–      De politiek bemoeit zich ermee: de overheid heeft een wet gemaakt die discriminatie verbiedt en de politie treedt op tegen mensen die discrimineren. Ook organiseert de overheid voorlichtingscampagnes.

 

Opdracht  3.  Voor een goede mening heb je nodig: dat je van een zaak de feiten kent, dat je de zaak van verschillende kanten bekijkt en dat je bij je mening goede argumenten hebt.

 

Samenvatting  blz. 16 en 17

 

Hoofdstuk 1

Maatschappijleer gaat over de manier waarop mensen met elkaar samenleven.

Met je sociale omgeving bedoelen we mensen die je regelmatig ziet.

Omdat iedereen afhankelijk van elkaar is, zijn er afspraken/regels nodig over hoe

we met elkaar samenleven. Er zijn twee soorten regels: gedragsregels en wetsregels.

 

 

Hoofdstuk 2

–      Waarden zijn principes die je belangrijk vindt in het leven.

–      Normen zijn regels over hoe jij en anderen zich moeten gedragen.

Je hebt geschreven regels en ongeschreven regels.

–      Een belang is het voordeel dat je ergens van hebt.

–      Macht is de mogelijkheid om het gedrag van anderen te beïnvloeden.

Als belangen met elkaar botsen, noem je dit een belangentegenstelling.

Je beroep, aanzien, overtuigingskracht zijn voorbeelden van machtsmiddelen.

 

 

Hoofdstuk 3

Je noemt een probleem een maatschappelijk probleem, als:

–      er veel mensen mee te maken hebben;

–      mensen er verschillende meningen over hebben;

–      het probleem veel aandacht krijgt in de media;

–      de politiek zich met het probleem bemoeit.

 

Bij maatschappijleer krijg je vaak te maken met een dilemma, dat is een lastige keuze tussen twee dingen die allebei voordelen of juist nadelen hebben.

Bij het probleem van de files op snelwegen is dat bijvoorbeeld of je de belangen van de automobilisten voorrang geeft of de milieugroepen.

Voor een goede mening moet je:

–      de feiten kennen;

–      geen vooroordelen gebruiken;

–      de zaak van verschillende kanten bekijken;

–      argumenten gebruiken.

 

Samengevat, bij maatschappijleer leer je:

–      van alles over de Nederlandse samenleving;

–      hoe je maatschappelijke problemen kunt bekijken;

–      hoe je met goede argumenten je mening kunt geven.

 

Begrippenlijst  blz. 17

 

Een waarde is een principe dat je belangrijk vindt in het leven.

 

Een norm is een regel over hoe jij en anderen zich moeten gedragen.

 

Een belang is een voordeel dat je ergens van hebt.

 

In een belangentegenstelling botst het belang van de een met het belang van de ander.

 

Macht is de mogelijkheid om het gedrag van anderen te beïnvloeden.

 

Een machtsmiddel is een middel waarmee je het gedrag van anderen kunt beïnvloeden.

 

Een maatschappelijk probleem heeft vier kenmerken

 

  1. Veel mensen hebben ermee te maken.

 

  1. Mensen hebben verschillende meningen over de oorzaak en de oplossing.

 

  1. Het probleem krijgt veel aandacht in de media.

 

  1. De politiek bemoeit zich met het probleem.

 

Een dilemma is een lastige keuze tussen twee dingen die allebei voordelen of juist nadelen hebben.

 

Een feit is iets wat echt gebeurd is en wat je dus kunt bewijzen.

 

Een vooroordeel is een oordeel over iets of iemand zonder dat je de feiten kent.

 

Een argument is iets waarmee je kunt uitleggen waarom jouw mening goed is.

Hoofdstuk 2: Jongeren

Paragraaf 1:

Opdracht 3.   Eigen uitwerking leerling.

Voorbeeldantwoorden:

Ouders, leraar, klasgenoten, vriend(inn)en, sportmaatjes, buren, trainer, pastoor/dominee/imam.

 

Opdracht 10  Aanboren of aangeleerd?  blz. 19

 

Een timmerman slaat op zijn duim en schreeuwt het uit van de pijn. 1
Een naaister begint luid te vloeken als ze de naald in haar vinger steekt. 2
Een meisje is verliefd op een ander meisje. 1
Een meisje treedt samen met haar moeder op tijdens een zangwedstrijd. 1 + 2
Susan is wereldkampioen schaken (lees de intro in je lesboek). 1 + 2
Een voetballer krijgt vaak een rode kaart vanwege zijn ruwe spel. 2
Een zoon wil net als zijn vader boer worden. 2

 

 

Opdracht 11  In de media: Altijd de beste willen zijn  blz. 19

 

A     Volgens Jeanet Mulder is Kromowidjojo vooral kampioen geworden door haar AANGEBOREN eigenschappen.

B     Volgens Kromowidjojo is zij vooral kampioen geworden door haar AANGELEERDE eigenschappen.

C     Eigen mening leerling.

Opmerking: het nature-nurturedebat is nog steeds gaande. Veel wetenschappers menen dat de nadruk ligt op het aanleren van bekwaamheden, maar uiteraard speelt bij veel zaken ook het aangeboren talent een grote rol. Vraag de leerlingen waarin zij goed zijn, bijvoorbeeld muziek maken, Engels, wiskunde of tennis. Komt dit volgens hen door aangeboren eigenschappen of heel veel oefenen?

 

Paragraaf 2:

Werkblad cyberbuly afmken en inleveren.

Paragraaf 3:

Opdracht 1 blz. 22

  1. Om een burn-out te voorkomen, probeert Maaike meer te genieten van het leven. Zij heeft door haar eigen ervaringen gemerkt dat ze het veel te druk had met haar hobby’s, vrienden en schoolambities.

 

Opdracht 4.   De normen en waarden van mijn opa of oma zijn soms anders dan die van mij, omdat we nu in een andere tijd opgroeien.

Vraag de leerlingen of zij een aantal van die veranderingen kunnen noemen. Denk hierbij aan technische veranderingen, maar ook sociale veranderingen en gewijzigde normen en waarden.

 

 Opdracht 6.  Voor de gehele opdracht geldt: eigen uitwerking leerling.

 

Opdracht 11 De cijfers  blz. 25

 

Eigen uitwerking leerling.

Voorbeelduitwerking:

Pesten is WEL een maatschappelijk probleem, want:

–      veel mensen hebben ermee te maken: de pestende en gepeste jongeren (10 procent van alle jongeren), ouders en leerkrachten.

–      er wordt verschillend gedacht over mogelijke oorzaken en oplossingen: voorlichting aan leerlingen die pesten of juist strenge sancties opleggen?

–      de media besteden er geregeld aandacht aan: vooral als er schokkende filmpjes van pesten door leerlingen op internet gezet worden. De verontwaardiging is dan groot.

–      de overheid neemt maatregelen: de overheid heeft scholen verplicht om een antipestprotocol op te stellen en na te leven. In zo’n protocol staat vermeld hoe de school pestgedrag signaleert en aanpakt.


Paragraaf 4:

Opdracht  1.  Overeenkomst: bij imitatie en identificatie zijn enkele kenmerken van de ander gelijk aan die van jou.

Verschil: bij imitatie doet de ander bepaalde kenmerken van jou na, bij identificatie zie je juist bij de ander bepaalde kenmerken van jezelf terug.

 

Opdracht 4.   De eerste jongerenculturen ontstonden in de jaren 60 omdat:

  • de welvaart steeg;
  • jongeren meer vrije tijd kregen;
  • jongeren zich gingen afzetten tegen bestaande normen en waarden.

Zoals de waarden van hun ouders, de school en het geloof.

 

Opdracht 10  Geen 4 mei voor mij  blz. 27

 

De oudere generatie (‘zij’) herdenkt op 4 mei in stilte dat vroeger veel mensen hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. Een aantal jongeren (‘wij’) vindt het belangrijker dat we stilstaan bij de toenemende aanvallen op onze huidige godsdienstvrijheid.

 

Opmerking: bij de opdracht staat een QR-code die de leerlingen leidt naar een video van Christa Noëlla waarin ze het doel van de actie uitlegt (1:38 min).

Mocht u geen gebruik willen maken van de QR-code, dan kunt u de video ook via deze link bekijken:

https://www.youtube.com/watch?v=OeyYhMdpgAo

Opdracht  12 In het nieuws: “Wij zijn geen helden”  blz. 28

 

A     De waarde naastenliefde.

Geld inzamelen voor mensen die het moeilijk hebben.

B     Eigen mening leerling. Voorbeeldargumenten:

–      Met muziek kun je de wereld WEL veranderen, omdat een liedje mensen kan inspireren tot iets goeds.

–      Met muziek kun je de wereld EEN BEETJE veranderen, omdat het mensen wel aan het denken kan zetten, zonder dat daar verder iets mee gebeurt.

–      Met muziek kun je de wereld NIET veranderen, omdat een liedje de echt grote problemen niet kan oplossen.


Paragraaf 5:

Opdracht 2.   Eigen uitwerking leerling.Voorbeelduitwerking:

–      Een economische binding heb ik met mijn baas, omdat hij mijn loon betaalt.

–      Een kennisbinding heb ik met de sporttrainer, omdat hij mij uitlegt hoe ik een penalty moet nemen.

 

Opdracht  4.  Eigen uitwerking leerling. Voorbeeldantwoord:

–      De overheid zorgt voor subsidies voor jongerencentra en de aanleg van hangplekken.

–      De overheid zorgt voor de dienst Studiefinanciering.

–      De overheid stelt eisen aan mijn bijbaantje: wit werken en premies afdragen.

–      De overheid zorgt voor mijn veiligheid: brandweer, politie, GGD.

–      De overheid zorgt voor mijn gezondheid door een verplichte zorgverzekering.

 

Opdracht  5.  Eigen uitwerking leerling.Voorbeeldantwoord:

Bij sociale cohesie voelen mensen zich met elkaar verbonden.


Opdracht 8         Mensen hebben elkaar nodig  blz. 30 Voorbeeldantwoord:

Wat heb je nodig? Welke soort bindingen? Drie voorbeelden:
1.  Kennis en informatie kennisbindingen internetsites

je leraar

de trainer van je sportclub

2.  Eten, drinken, kleding en onderdak economische bindingen bakker

supermarkt

baas

woningbouwvereniging / aannemer

3.  Vriendschap, liefde en warmte gevoelsbindingen partner

vrienden

familie

huisdier

4.  Bescherming politieke bindingen overheid / ziekenhuis

politie/ brandweer

Samenvatting  blz. 31 en 32

 

Hoofdstuk 1

Opmerking: in het werkboek staat voor deze twee regels abusievelijk een markering als t-stof.

Je karakter bestaat uit een combinatie van aangeboren eigenschappen, zoals muzikaal talent,

en aangeleerde eigenschappen, zoals je muzieksmaak.

 

Het aanleren van normen, waarden en gewoonten van de groep waar je toe behoort, noem je socialisatie.

Als een groep mensen dezelfde waarden, normen en gewoonten heeft, noemen we dit een cultuur.

 

Socialisatie vindt plaats: in het gezin, op school door vrienden, in verenigingen, op

je werk, door je geloof, door de media en door de overheid.

Telkens als je in een nieuwe groep komt, krijg je te maken met socialisatie. Je moet dan weer nieuwe normen en waarden leren.

 

Hoofdstuk 2

Iets leren doe je op vier manieren, namelijk door:

–      informatie en aanwijzingen;

–      door imitatie van anderen;

–      door de dingen die je in je leven meemaakt, ofwel je ervaringen;

–      door zelf te experimenteren.

 

Sociale controle door anderen speelt een belangrijke rol bij het aanleren van de

gewoonten van de groep. Hierbij maken we vaak gebruik van sancties, dat zijn

manieren waarop iemand laat merken of je iets goed of fout hebt gedaan.

Een voorbeeld van een positieve sanctie is een complimentje van een leraar.

Strafwerk is een voorbeeld van een negatieve sanctie.

 

Als je bepaald gedrag vanzelfsprekend doet, noem je dat internalisatie.

In het socialisatieproces ontwikkel je een eigen identiteit.

 

Hoofdstuk 3

De periode tussen je kindertijd en volwassenheid noem je de puberteit.

 

Niet iedereen heeft dezelfde normen en waarden. Je noemt gedrag abnormaal als je het gedrag

van die persoon niet meer begrijpt. Als iemand geen rekening houdt met anderen, noem je dit asociaal gedrag. Als je elk afwijkend gedrag niet meteen afkeurt maar juist probeert te begrijpen, heb je een tolerante houding. Bij tolerantie toon je namelijk respect voor andere normen en waarden.

 

Als je ergens bij wilt horen, moet je je vaak gedragen naar de groepsnormen. Soms is er sprake van groepsdruk en heb je het gevoel dat je je móet aanpassen omdat je er anders niet bij hoort.

Soms worden jongeren uitgesloten van een groep. Dan is er vaak sprake van pestgedrag.

Als dit gebeurt via internet en sociale media noemen we het cyberpesten.

Als de waarden en normen van jongeren met die van ouders en ouderen botsen, noem je dat een generatieconflict.

 

Hoofdstuk 4

Omgaan met anderen heeft veel met identificatie te maken. Met identificatie bedoelen we dat je bepaalde kenmerken van jezelf herkent bij de ander.

Je kunt je ook identificeren met een hele groep, zoals je sportclub.

Een groepsgevoel kan om verschillende redenen ontstaan. Bijvoorbeeld:

–      de plaats waar je woont of vandaan komt;

–      je geloof;

–      belangen of problemen;

–      je interesse, zoals muziek, kleding.

 

Vanaf de jaren zestig ontstonden er jongerenculturen. Dat zijn groepjes jongeren met dezelfde waarden, normen en gewoonten. Voorbeelden van jongerenculturen zijn hippies, punkers, hiphoppers en gamers.

 

*            In elke groep waarin mensen zich sterk met elkaar verbonden voelen is er sprake van een wij-gevoel. Dat gevoel wordt sterker als er ook een duidelijke zij-groep is. Een voorbeeld hiervan is: bij voetbal is er een duidelijke tegenstander.

Soms levert het onderscheid tussen wij en zij maatschappelijke problemen op. We spreken dan van polarisatie, mensen en bevolkingsgroepen staan tegenover elkaar doordat de tegenstellingen de nadruk krijgen.

 

Hoofdstuk 5

Mensen zijn afhankelijk van elkaar, en hebben bindingen met elkaar, zoals gevoelsbindingen, economische bindingen, politieke bindingen en kennisbindingen.

Als mensen zich met elkaar verbonden voelen, noemen we dit sociale cohesie.

 

Begrippenlijst  blz. 33

Je spreekt van een cultuur wanneer mensen in een bepaalde groep of samenleving alle normen, waarden en gewoonten met elkaar delen.

 

Bij socialisatie leer je bewust of onbewust waarden, normen en gewoonten aan die bij jouw groep of samenleving horen.

 

*            Nature-aanhangers denken dat bepaalde kenmerken aangeboren zijn.

 

*            Nurtureaanhangers denken dat je de belangrijkste dingen aanleert of afleert.

 

Door imitatie van anderen vindt socialisatie plaats.

 

Sociale controle is dat mensen in je omgeving letten op hoe jij je gedraagt.

 

Sancties zijn manieren waarop iemand laat merken of jij iets goed of fout gedaan hebt.

 

Bij internalisatie zijn aangeleerde normen en waarden vanzelfsprekend gedrag geworden.

 

Je identiteit is de persoon die jij bent, gevormd door alle kenmerken die bij jou horen en je ervaringen.

 

*            Rolgedrag is gedrag dat we van elkaar in bepaalde situaties verwachten.

 

*            Roldoorbrekend gedrag is gedrag dat je niet direct bij iemands rol verwacht.

 

Tolerantie is dat je accepteert dat sommige mensen andere waarden en normen hebben dan jij.

 

Abnormaal of asociaal is geen rekening houden met anderen.

 

Groepsdruk is het gevoel dat je je moet aanpassen aan de gewoonten van de groep.

 

Er is sprake van een generatieconflict als een meningsverschil wordt veroorzaakt door leeftijd.

 

Identificatie betekent dat je bepaalde kenmerken van jezelf herkent bij de ander.

 

Groepsidentificatie betekent dat je je verbonden voelt met een groep mensen omdat je dezelfde kenmerken of gewoonten hebt.

 

Jongerenculturen zijn groepen jongeren met dezelfde waarden, normen en gewoonten.

 

*            Het wij-gevoel is wanneer mensen zich sterk met elkaar verbonden voelen.

 

*            Een zij-groep is de groep die je tegenover je voelt staan.

 

*            Polarisatie betekent dat mensen en bevolkingsgroepen scherp tegenover elkaar staan doordat tegenstellingen de nadruk krijgen.

 

Bij economische bindingen ben je afhankelijk van je baas die je loon betaalt, maar ook van de mensen die de producten maken die jij gebruikt.

 

Bij kennisbindingen heb je te maken met alle mensen die jou iets leren.

 

Bij gevoelsbindingen deel je gevoelens met geliefden, vrienden en familie. Zonder steun van deze mensen voelen wij ons ongelukkig.

 

Bij politieke bindingen gaat het over de afhankelijkheid van de overheid.

 

Sociale cohesie betekent dat mensen het gevoel hebben dat ze bij elkaar horen.