Hoofdstuk 6: Werk

Werk

Het zevende hoofdstuk gaat over werken en sociale verschillen. Ondanks dat wij allemaal in Nederland wonen zijn er toch veel (sociale) verschillen tussen mensen. Sommige mensen staan hoog op de zogenaamde maatschappelijke ladder en andere mensen staan een stuk lager. We gaan tijdens de komende lessen bekijken waarom bepaalde mensen een hogere status hebben dan anderen en wat we daar aan kunnen doen. In dit hoofdstuk staat het thema mensenrechten en criminaliteit centraal.

Tijdens de lessen krijg je uitleg over belangrijke (basis)begrippen die je ook kunt terugvinden onder het kopje: BEGRIPPEN. De (basis)begrippen zijn belangrijk voor SET 3: sociale verschillen. Naast dat je een SET moet maken, maak je ook dossieropdrachten. Alle dossieropdrachten lever je in via SOMtoday –> hoofdstuk 3: sociale verschillen.

——————————————————————–

Les 1: positie in de maatschappij.

Filmpje vooraf: verschil tussen rijk en arm wereldwijd.

We leven allemaal in Nederland, maar er zijn veel verschillen tussen mensen. Sommige mensen verdienen 5000 euro per maand en anderen weer 1500 euro per maand. Door de verschillen tussen (groepen) mensen ontstaat er een indeling in de maatschappij. Het indelen van (groepen) mensen in de maatschappij wordt sociale stratificatie genoemd. Verschillende factoren spelen een rol of iemand een hoge of lage maatschappelijke positie heeft. De verschillende factoren zijn:

sheet 1

Door de verschillende factoren kan je mensen indelen in een hoge, midden of lage positie in de maatschappij, ook wel maatschappelijke ladder genoemd. De belangrijkste verschil in de maatschappelijke ladder is onder andere je inkomen.

Filmpje over maatschappelijke ladder

Voor een inkomen is werk belangrijk, daarom is geld verdienen nog steeds voor de meeste de belangrijkste reden om te werken. Maar er zijn natuurlijk meer redenen om te werken. Bekijk het onderstaande filmpje voor de verschillende redenen om te werken.

————————————-

Les 2: Klimmen en dalen op de maatschappelijke ladder.

Door de verschillende posities in de maatschappij ontstaat er sociale ongelijkheid. Mensen met een hoge maatschappelijke positie hebben vaker meer geld en wonen in een groter huis dan mensen met een minimuminkomen. Ook mensen die meer macht hebben kunnen meer beslissen. Als een directeur vindt dat een medewerker niet goed genoeg werkt als vakkenvuller kan hij de medewerker ontslaan. We spreken daarom ook wel over sociale ongelijkheid. Dit betekent dat rijkdom, macht en kennis niet gelijk over alle mensen zijn verdeeld.

Het is mogelijk om te ‘klimmen’ op de maatschappelijke ladder door een goede opleiding, het beroep dat iemand uitoefent, status en inkomen. Maar iemand kan natuurlijk ook ‘dalen’ in de maatschappelijke ladder als hij zijn beroep niet kan uitoefenen en als zijn status of inkomen daalt. Klimmen/stijgen en dalen op de maatschappelijke ladder wordt ook wel (verticale) sociale mobiliteit genoemd.

http://www.schooltv.nl/video/sociale-status-wat-bepaalt-je-plek-op-de-maatschappelijke-ladder/#q=sociale%20status

Met status wordt de waardering bedoeld die mensen aan een beroep geven. Mensen vinden bijvoorbeeld het werk van een chirurg heel erg belangrijk, waardoor chirurgen bepaald aanzien of status bij anderen krijgen. Andere voorbeelden zijn dat een directeur van een fabriek een hogere status heeft dan zijn werknemers en rechters hebben een hogere status dan tegelzetters.

Status in verschillende landen

http://www.vpro.nl/metropolis/speel.POMS_VPRO_599887.html

http://www.vpro.nl/metropolis/speel.POMS_VPRO_600805.html

———————————————

Les 3: collectieve en individuele belangen.

Sommige mensen hebben meer kans op sociale mobiliteit dan anderen. De situatie waarin men opgroeit (sociaal milieu), de eigen (persoonlijke) capaciteiten (zoals talent) en een combinatie met de mogelijkheid om naar bepaalde scholen te gaan spelen een belangrijke rol hebben we eerder gezien, maar ook het beleid van de overheid speelt een belangrijk rol! De overheid in Nederland helpt namelijk de inwoners van Nederland als dat nodig is. We noemen Nederland daarom ook een verzorgingsstaat. Een verzorgingsstaat is een land waar de overheid de burgers helpt als dat nodig is. De verzorgingsstaat bemoeit zich alleen met collectieve belangen, ook wel algemene belangen genoemd. Dat wil zeggen dat ze voor veel mensen belangrijk zijn, zoals:

  • goed onderwijs;
  • veiligheid;
  • goede gezondheidszorg;
  • en nog veel meer.

Mensen kunnen ook vanuit hun eigen maatschappelijke positie individuele belangen hebben. Met het woord belang bedoelen we het voordeel dat je ergens van hebt. Als leerling heb je bijvoorbeeld belang bij goede schoolboeken om beter te kunnen leren en een gezellige kantine voor leuke pauzes. Soms hebben mensen ook tegenovergestelde belangen. Mensen die graag verre reizen maken, willen dat vliegen goedkoop is. Anderen willen juist dat vliegen duurder wordt omdat het erg milieuvervuilend is. Je noemt dit belangentegenstelling, het belang van de een bots met het belang van een ander.

Om belangen van mensen te behartigen kunnen er belangengroepen ontstaan. Belangengroepen zijn groepen individuen met een gemeenschappelijk belang. Belangengroepen hebben een aantal middelen die ze kunnen gebruiken bij overleg- en conflictsituaties om voor de belangen van een groep mensen op te komen, zoals:

  • Handtekeningen verzamelen
  • Acties
  • Demonstraties
  • Boycots
  • Stakingen
  • Naar de rechter stappen
  • Lobbyen

Filmpje over belangengroepen:

http://www.schooltv.nl/video/tegenlicht-in-de-klas-we-zijn-het-zat-1/#q=lobbyen

——————————————–

Les 4: de overheid helpt de zwakke groepen

De overheid verbetert de positie van zwakke groepen in samenleving. Zoals we in les 3 hebben gezien is Nederland een verzorgingsstaat, een land waar de overheid de burgers helpt als dat nodig is.

Filmpje over de verzorgingsstaat: https://www.youtube.com/watch?v=u-QJhE8YHlg

De zwakke groepen in de samenleving zijn onder andere: langdurige werklozen, gehandicapte, arbeidsongeschikte etc. Om de zwakke groepen in de samenleving te helpen is er sprake van sociale zekerheid in Nederland, zekerheid in inkomen en/of verzorging als er sprake is van ziekte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid etc. Als inwoner van Nederland kan je recht hebben op een werknemersverzekering, volksverzekering of bijstand.

Uitleg: werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en bijstand

De verschillende politieke stromingen hebben verschillende opvattingen hoe de overheid de mensen moet helpen en sociale ongelijkheid moet bestrijden.

Verschillende stromingen en sociale ongelijkheid

—————————

Les 5: rekening houden met anderen

Zoals je in de voorgaande lessen hebt geleerd, hebben mensen (individuele) belangen, maar dat betekent niet dat je geen rekening moet houden met anderen. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat je in de bus opstaat voor oudere mensen en zwangere vrouwen. Het is niet strafbaar om het niet te doen, maar wel asociaal, want je houdt dan geen rekening met anderen. Je hebt ook soms gedragsuitingen die asociaal zijn, maar ook strafbaar. Als je strafbaar gedrag vertoont dan overtreed je wetsregels. Je hebt belangen, maar moet ook rekening houden met anderen. In Nederland hebben wij twee verschillende strafbare feiten, namelijk: overtredingen en misdrijven.

Overtredingen Misdrijven
Strafbare feiten die minder erg zijn. Ernstige strafbare feiten.
Meestal aanhouding door de politie, maar je wordt niet een paar dagen vastgehouden op het politiebureau. Meestal verhoord door de politie en paar dagen op het politiebureau vastgehouden
Lichte straf. Meestal kom je er met een waarschuwing of boete vanaf. Zwaardere straffen: hoge boete, gevangenisstraf.
Geen strafblad. Wel een strafblad.

Videofragment –> strafbaar gedrag: diefstal

http://www.vpro.nl/metropolis/speel.POMS_VPRO_600642.html

———————————

Les 6: reden tot criminaliteit

Volgens Lombroso (criminoloog) kon je een crimineel herkennen aan zijn lichamelijke kenmerken, zoals aan zijn brede kaken, diepliggende ogen, asymmetrisch gezicht, afwijkende oren, doorlopende wenkbrauwen etc.

Lombroso

Echter bestaat DE CRIMINEEL niet, wel zijn er persoonlijke kenmerken die je vaak terug ziet bij mensen die criminaliteit hebben gepleegd, zoals:

  • Geslacht: criminaliteit wordt vooral gepleegd door mannen., ongelijke macht van vrouwen en mannen en aangeboren verschil in agressiviteit tussen mannen en vrouwen.
  • Aangeleerd gedrag: bewust of onbewust aanleren van bepaalde waarden, normen en andere cultuurkenmerken van een groep.
  • Leeftijd: vooral jongeren tussen de 16 en 23 jaar hebben te maken met veelvoorkomende criminaliteit  (ook wel kleine criminaliteit genoemd), zoals vandalisme en winkeldiefstal. De kenmerken van deze groep jongeren zijn onder andere dat zij:
  • Sociale problemen hebben;
  • Veel gokken;
  • Drugs gebruiken;
  • Gedeeltelijk (lagere) opleidingen volgen of hebben gevolgd;
  • Nauwelijks in aanmerking komen tot (zinvol) werk.
  • Vaak weinig liefdevolle opvoeding hebben gekregen.
  • Bepaalde sociale vaardigheden missen.
  • Maatschappelijke positie/sociale ongelijkheid: in midden en hogere milieus komt vooral ‘witteboordencriminaliteit’ naar voren. De vormen van witteboordencriminaliteit zijn slecht ‘zichtbaar’ en daardoor niet eenvoudig op te sporen, zoals belastingontduiking en verduistering. Personen met lagere maatschappelijke positie hebben vooral te maken met agressieve delicten en inbraak/ diefstal.
  • Etnische afkomst: allochtone groepen hebben niet vaak te maken met delicten zoals witteboordencriminaliteit en discriminerend gedrag, maar vooral met diefstal en drugscriminaliteit.
  • Locatie: inwoners van grote steden blijken vaker crimineel gedrag te vertonen dan inwoners van kleinere steden en dorpen. In grote steden wonen namelijk meer ‘zwakke’ groepen en is er minder sociale controle. Met sociale controle letten mensen op wat anderen doen.

—————————————

Les 7: Proces nadat je bent opgepakt.

Eenmaal als je wordt opgepakt ben je nog geen dader, maar een verdachte. Een verdachte is iemand van wie de politie denkt dat hij iets strafbaars heeft gedaan. Dus er is een vermoeden, maar nog niet bewezen dat het vermoeden ook klopt. Pas als je een verdachte van een misdrijf bent mag de politie:

– je fouilleren: kleding en lichaam onderzoeken.

– je arresteren: meenemen naar het politiebureau.

– je huis onderzoeken voor bewijsmateriaal.

Als de politie klaar is met het onderzoek wordt er een proces-verbaal geschreven. Een proces-verbaal is een speciaal politieverslag over het misdrijf en de verdachte. Het proces- verbaal gaat naderhand naar de Officier van Justitie. De Officier van Justitie is iemand die beslist wat er verder met de verdachte gaat gebeuren.

De Officier van Justitie kan:

  1. De zaak seponeren. Dat wil zeggen dat hij geen verdere stappen onderneemt, omdat hij denkt dat de verdachte genoeg straf heeft gekregen of omdat er geen genoeg bewijs is tegen de verdachte.
  2. Hij geeft een boete, ook wel schikking genoemd.
  3. Hij besluit te vervolgen, dan moet de verdachte voor de rechter komen.

Verdachte van een misdrijf

—————————————

Les 8: Bij de rechtbank

Als de Officier van Justitie besluit dat een verdachte vervolgt moet worden, betekent het dus dat hij voor de rechter moet verschijnen. Voordat een verdachte bij de rechtbank aanwezig moet zijn krijgt hij een dagvaarding. Een dagvaarding is een oproep om voor de rechter te verschijnen. In een dagvaarding staat belangrijke informatie, zoals: wanneer de verdachte voor de rechter moet verschijnen? Waarom de verdachte voor de rechter moet verschijnen? Bij welke rechtbank de rechtszaak plaatsvindt?

Een rechter heeft een belangrijke taak, omdat hij een besluit neemt of een verdachte schuldig is of niet. Bij lichte misdrijven doet een politierechter uitspraak (1 rechter) en bij zware misdrijven een meervoudige kamer (drie rechters). Bij de rechtszaak zijn de belangrijkste personen:

  • De verdachte –> meestal geholpen door een advocaat;
  • De Officier van Justitie –> die wil bewijzen dat een verdachte schuldig is;
  • De rechter –> die beslist of een verdachte schuldig is.

Een rechtszaak heeft duidelijke stappen hoe het werkt, namelijk:

Opening De rechter controleert alle persoonlijke gegevens van een verdachte
Aanklacht voorlezen De Officier van Justitie leest de aanklacht voor waarin staat waar de verdachte van beschuldigd wordt.
Vragen stellen De rechter stelt vragen aan de verdachte, maar de verdachte is niet verplicht om antwoord te geven. Hij heeft namelijk recht om te zwijgen.
Officier van Justitie Officier van Justitie vertelt nogmaals waarom hij vindt dat de verdachte schuldig is en zegt wat voor straf hij wil voor de verdachte.
Pleidooi De advocaat krijgt nu het woord en mag vertellen waarom een verdachte weinig of geen straf verdient.
Laatste woord De verdachte heeft altijd het laatste woord. Hij mag nog iets zeggen, maar is niet verplicht om iets te zeggen
Vonnis Bij een politierechter vertelt de rechter eigenlijk gelijk wat voor straf de verdachte krijgt. Bij een meervoudige kamer duurt het twee weken voordat de rechters een uitspraak kunnen doen.

De rechter kan verschillende straffen geven, namelijk:

Hoofdstraffen; een geldboete, gevangenisstraf of een taakstraf.

Bijkomende straf: een rechter kan ook naast een hoofdstraf een bijkomende straf geven, bijvoorbeeld dat een verdachte zijn rijbewijs moet inleveren of niet in een bepaalde wijk mag komen omdat de slachtoffers daar wonen.

Maatregel: naast de hoofdstraffen en bijkomende straffen is er nog een ander soort ‘straf’, namelijk maatregel. Er zijn een aantal maatregelen in Nederland, waaronder: plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, ter beschikking stelling (TBS), onttrekking aan het verkeer en plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD).

—————————————

Wat moet je allemaal kunnen voor de set van hoofdstuk 3: sociale verschillen? Je kan:

  • Het bestaan van sociale stratificatie herkennen en uitleggen.
  • Voorbeelden geven van de verschillende factoren die een rol spelen of iemand een hoge of lage maatschappelijke positie heeft.
  • Aan de hand van gegeven situatie(s) uitleggen welke factoren sociale ongelijkheid veroorzaken/ beïnvloeden en hoe deze factor(en) de situatie(s) heeft beïnvloed.
  • Beschrijven dat verschillende factoren elkaar beïnvloeden.
  • Voorbeelden geven van (verticale) sociale mobiliteit.
  • Het begrip status herkennen en uitleggen.
  • Verklaren waarom individuele capaciteiten steeds meer de maatschappelijke positie van mensen bepalen.
  • Uitleggen dat een persoon maatschappelijke waardering kan hebben door zijn/haar beroep of functie maar ook door zijn/haar eigen verdiensten/prestaties.
  • Beschrijven waarom het onderwijs een belangrijke rol kan spelen bij het verkrijgen van maatschappelijke waardering.
  • Uitleggen dat het hebben van een bepaalde maatschappelijke status zowel in als buiten de persoon zelf kan liggen en kunnen hiervoor voorbeelden geven.
  • De verschillende factoren herkennen en uitleggen die zorgen voor stijging/ daling op de maatschappelijke ladder.
  • Benoemen en verklaren hoe het sociaal milieu, onderwijs, aanleg en het overheidsbeleid de kansen op sociale mobiliteit beïnvloeden.
  • Individuele en collectieve belangen benoemen en onderscheiden.
  • Tegengestelde en overeenkomstige belangen benoemen.
  • In een gegeven situatie de belangen van groepen mensen benoemen en verbinden aan hun maatschappelijke posities.
  • Uitleggen waar en waarom belangen overeenkomen of tegenstrijdig zijn en welke conflicten kunnen ontstaan.
  • Aan de hand van gegeven voorbeelden verduidelijken waarom het voor belangengroepen voordelen heeft zich te organiseren.
  • Uitleggen en voorbeelden geven welke middelen er zijn om voor belangen op te komen in overleg en conflictsituaties.
  • Het middel lobbyen met voorbeelden verduidelijken.
  • Uitleggen waar de verzorgingsstaat voor staat en voorbeelden geven.
  • De zwakke groepen in de samenleving noemen en uitleggen welke maatregelen de overheid kan nemen om de positie van deze groepen te verbeteren.
  • Verschil tussen werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en bijstand uitleggen en herkennen.
  • Opvattingen beschrijven van de verschillende politieke stromingen over de rol die de overheid zou moeten spelen op het terrein van sociale ongelijkheid.
  • Enkele opvattingen van stromingen herkennen over de rol die de overheid op zich kan nemen om sociale ongelijkheid te bestrijden.
  • Een eigen standpunt innemen en beargumenteren ten aanzien van de bemoeienis van de overheid met sociale ongelijkheid.
  • Het verschil tussen asociaal gedrag en strafbaar gedrag herkennen en benoemen.
  • Uitleggen en voorbeelden geven over het verschil tussen overtreding en misdrijf.
  • Uitleg geven wanneer er sprake is van een verdachte.
  • Een beschrijving geven over het vervolg van een proces-verbaal
  • De taken van een Officier van Justitie herkennen en benoemen.
  • De taken van een advocaat herkennen en benoemen.
  • De taken van een rechter herkennen en benoemen.
  • Beschrijving geven van een dagvaarding.
  • De verschillen tussen politierechter en meervoudige kamer herkennen en beschrijven.
  • In een gegeven situatie de stappen van een rechtszaak herkennen en benoemen.
  • Verschillende hoofdstraffen en bijkomende straffen beschrijven en herkennen.