Hoofdstuk 5: Media

Hoofdstuk 5: Media

Zodra iemand een ruimte binnenkomt vorm je al een soort mening over deze persoon. Waar komt die, toch best ongegronde, mening spontaan vandaan? Waarom denken wij zoals wij denken? Welke stereotypes zijn er, en waar kunnen stereotypes toe leiden? Heeft de massamedia hier iets mee te maken? In dit hoofdstuk staat het thema Vrijheid van meningsuiting: vrijheid van mening ook vrijheid om te kwetsen?! centraal. Het is bij maatschappijleer natuurlijk ook erg belangrijk dat je de actualiteiten een beetje in de gaten houdt: wat gebeurt er in de wereld? Zijn er nog ontwikkelingen in Nederland? Wat voor maatschappelijke problemen zijn er nu actueel? Voor dit hoofdstuk krijg je geen theoretische set, maar een praktische opdracht (PO) welke mee telt als set. Met deze PO ga je in een groepje van 3 een actueel onderwerp onderzoeken en hier een verslag van schrijven. Daarna maak je een presentatie over dit onderwerp. Het PO telt voor 20% mee voor je eindcijfer en is een los onderdeel (het behoort dus niet tot je dossier!). Je maakt een verslag op papier inclusief bronvermelding, inhoud, voorwoord, reflectie, etc. Daarnaast maak je een presentatie. Per les staat er exact wat je moet doen. Dit verslag is niet herkansbaar! Kom je niet op dagen, dan krijgen jullie een 1.0. Ben je ziek, dan moet een van je ouders/voogd een verklaring ‘afwezigheid bij set’ komen tekenen binnen 1 schooldag. Alleen dan mag je een andere datum afspreken waarop je, je PO laat zien. Anders krijg je een 1.0. Tandarts, ortho, huisarts enzo zijn GEEN goede redenen om afwezig te zijn: je weet ruim van te voren wanneer jullie je PO moeten laten zien. Daarnaast krijg je ook enkele lessen de tijd om er aan te werken. Begin er dus gewoon op tijd aan!

Verwerk de volgende stappen in je werkstuk en presentatie:

De opdracht bestaat uit 3 verschillende onderdelen:

  • Schriftelijk Verslag 50%
  • Presentatie voor de klas of in een documentaire 50%

Bekijk het beoordelingsformulier onder het tabblad beoordelingsformulier, dan weet je waar er op gelet wordt! Print het formulier uit. NEEM HET BEOORDELINGSFORMULIER MEE OP DE DAG VAN JE PRESENTATIE!!!!!

 

 

 

Richtlijneisen voor je verslag:

  • Je gebruikt de volgende layout: lettertype Arial, grootte 12, enkele alinea uitlijning/regelafstand enkel. Doe dit als volgt:
    • Klik op Opmaak.
    • Klik op Alinea.
    • Stel de regelafstand in op Enkel.
  • De (originele) definitieve versie van het werkstuk moet uiterlijk op de dag van je presentatie bij de docent worden ingeleverd. Je levert het zowel op papier als via som in vóór je presentatie: zodat je docent je verslag er bij kan houden tijdens jullie presentatie. Per dag dat je dit te laat inlevert gaan er punten van je cijfer af!
  • Zorg voor een nette (eind)presentatie. Losse bladen met nietje of los in een mapje worden niet geaccepteerd. Vergeet je naam niet.
  • Je mag geen plagiaat plegen: dus niet letterlijk de tekst van je bron overnemen. Dat betekent een 1
  • Wil je bepaalde woorden benadrukken gebruik dan vet, cursief of onderstreept. Heb je eenmaal een keuze gemaakt, pas die dan consequent (overal) toe.
  • Alle bladzijden van het werkstuk moeten worden genummerd, te beginnen bij de inhoudsopgave.

 

Begrippen van hoofdstuk 4:

  1. Agendatheorie
  2. Beeldvorming
  3. Beïnvloedingstheorieën
  4. Discriminatie
  5. Feiten
  6. Functies van de media voor de samenleving
  7. Functies van de media voor het individu
  8. Indoctrineren
  9. Infotainment
  10. Injectienaaldtheorie
  11. Kenmerken maatschappelijk probleem
  12. Manipulatie
  13. Massamedia
  14. Meningen
  15. Multiple-step-flowtheorie
  16. Politiek-juridische invalshoek
  17. Racisme
  18. Referentiekader
  19. Selectiecriteria van nieuws
  20. Selectieve perceptietheorie
  21. Selectieve waarneming (selectieve perceptie)
  22. Sociaal-Culturele invalshoek
  23. Sociaal-Economische invalshoek
  24. Sociale media
  25. Socialisatie
  26. Stereotypen
  27. Subjectiviteit
  28. Veranderings- en Vergelijkende invalshoek
  29. Vooroordelen

Paragraaf 1: vooroordelen, stereotype, discriminatie, indoctrineren, racisme

Wat zijn stereotypen en vooroordelen?

Als ik iemand vraag om een Indiaan op het bord te tekenen, dan tekent hij een tipi, een persoon met strepen op het gezicht en een tooi op het hoofd. Dit is een stereotype: een beeld wat je hebt van een bepaald groep mensen. Je bedoelt er niets mee, je probeert er niet je mening mee te geven, het is simpelweg een beeld. Denk maar eens aan een Fransman, hoe zou je die uitbeelden? De Eifeltoren, een stokbrood onder de arm? Fles wijn erbij? En zo’n petje op zijn hoofd? Stereotypen zijn gedachten en beelden over eigenschappen van groepen mensen die vaak niet op voldoende feiten zijn gebaseerd. Want zien indianen er echt zo uit? Lopen alle Fransmannen met stokbrood onder het arm? Denk maar aan het stereotype wat buitenlanders van Nederlanders hebben, zoals onderstaande plaatje. Zeg eens: wie van jullie woont er in een molen, heeft tulpen voor het raam staan, rookt elke dag een joint en loopt op klompen? Dus een beeld van een groep, wat niet op feiten is gebaseerd.

Als een stereotype gepaard gaan met negatieve gevoelens en meningen ten aanzien van deze groeperingen, spreken we van vooroordelen. “de DOMME Belg”, “Dikke mensen zijn gezellig” “Slimme mensen dragen een bril”. Dat zijn voorbeelden van vooroordelen: een mening over een bepaalde groep mensen gebaseerd op enkele kenmerken maar niet op feiten. Vaak als je iemand beter leert kennen, weet je dat je vooroordelen ongegrond waren. Echter het gevaar is dat vooroordelen overgaan in discriminatie.

korte uitleg vind je hier

Als je handelt op basis van je vooroordeel dan kan dit leiden tot discriminatie. Als een blonde vrouw niet aangenomen wordt voor een baan omdat de baas denkt: “zij zal wel dom zijn.” En de vrouw met de paardentaart en de bril wordt wel aangenomen, omdat de baas denkt: “zij zal wel slimmer zijn” dan wordt de blonde vrouw gediscrimineerd. Eigenlijk betekent discrimineren: ‘verschil maken’. Criminoloog Frank Bovenkerk zegt dat de definitie van discriminatie is (1978):

“Het systematisch ongelijk behandelen van personen of groepen op basis van kenmerken van die personen of groepen, die in de gegeven situatie niet relevant moeten worden geacht.”

Bij discriminatie wordt er dus onderscheid gemaakt op grond van zaken die in een bepaalde situatie niet relevant zijn. Discriminatie kan zowel voor een groep als een individu gelden. Voorbeelden van verschillende soorten discriminatie zijn discriminatie op grond van:

  • Leeftijd: de oude man wordt niet aangenomen voor de baan, de jongere man wel. Echter leeftijd is wel een criterium om iemand geen alcohol te verkopen, en daarom is het dan géén discriminatie.
  • Huidskleur: iemand wordt geweigerd in een nachtclub omdat hij een andere huidskleur heeft.
  • Geslacht: een vrouw kreeg geen boete van de agent toen zij te snel reed, de man wel.
  • Geaardheid: De homoseksuele docent werd niet aangenomen, omdat hij op mannen valt.
  • Geloof: de niet gelovige mensen uit het dorp mogen niet stemmen, de gereformeerde mensen wel.
  • Politieke gezindheid:  socialist, confessionalist of liberaal?
  • Burgerlijke staat: gehuwd of ongehuwd
  • Handicap

Meer uitleg over discriminatie en de wet hierover vind je op de website mensenrechten.nl klik hier.

Oorzaken van discriminatie zijn onder andere:

  • het ontbreken van de juiste informatie.
  • het afzetten van de eigen groep tegen andere groepen door angst of onbegrip.
  • het kiezen/zoeken van een zondebok voor allerlei problemen of om te pesten.
  • het streven om de eigen positie zo sterk mogelijk te houden.
  • het als bedreigend of slecht ervaren van “vreemde” culturen.

De economische situatie in een samenleving kan de bovenstaande oorzaken versterken. Gevolgen van discriminatie zijn onder andere:

  • achterstelling op het gebied van werk, wonen en leren
  • gevoelens van minderwaardigheid en bedreiging

De overheid en organisaties hebben manieren om op effectieve wijze vooroordelen en discriminatie tegemoet te treden en te voorkomen. Als mogelijkheden voor de overheid kunnen genoemd worden:

  • in overleg met werkgevers en werknemers initiatieven nemen, zoals het aanstellen van vertrouwenspersonen in bedrijven en scholen
  • maatregelen nemen in de zin van subsidies of boetes
  • justitie meer mogelijkheden geven om op te sporen
  • het stimuleren van een voorkeursbehandeling
  • het instellen en ondersteunen van centrale meldingspunten voor discriminatie
  • postbus 51 inzetten

Onder racisme verstaan we letterlijk ‘het ongelijk behandelen van mensen of groepen op basis van zogenaamde raskenmerken’. Dat is dus discriminatie op basis van iemands ras, afkomst of geloof.

Dat racisme op allerlei plekken binnen de samenleving voorkomt bewijst dit filmpje van youtube over racisme in het Europese voetbal.

Uitleg:

  • Socialisatie= het aanleren van waarden, normen en andere kenmerken die binnen een samenleving gelden.
  • Indoctrineren= het systematisch en voortdurend opdringen van bepaalde opvattingen en meningen aan het publiek.
  • Manipulatie= het geven van vervormde informatie.

Uitleg filmpje over beeldvorming en stereotypering: mensen anders behandelen

 

Paragraaf 2: selectieve waarneming, beeldvorming, referentiekader, selectieve perceptie, selectiecriteria

Tegenwoordig word je overladen met filmpjes, media, plaatjes en nog veel meer. Als je alles zou onthouden wat je ziet, dan zou je helemaal gek worden. Ook jij zal moeten kiezen uit het grote aanbod van de media. Er is teveel om alles te zien, te horen of te lezen. Daarom onthouden onze hersenen niet alles. Uit één verhaal haalt de ene persoon andere informatie dan een andere persoon. Dit heeft met verschillende zaken te maken. Ten eerste met selectieve waarneming. Ook wel selectieve perceptie genoemd. Dit betekent dat iedereen hoort en ziet wat hij wil horen en zien. Uit een saaie les op school haal jij alleen de informatie die jij wel interessant vond. Dit heeft ook te maken dat de informatie moet passen in ons referentiekader: het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis en ervaringen waardoor jij anders reageert op bepaalde zaken dan iemand anders. Hiermee bedoelen we dat iemand bij wie er ooit is ingebroken misschien wel anders reageert op een nieuwsbericht over inbraken dan iemand die hier nog nooit mee te maken heeft gehad. Leerlingen met gescheiden ouders reageren wellicht anders op het toneelstuk van ckv op school over gescheiden ouders, dan leerlingen wiens ouders nog bij elkaar zijn. Mensen nemen informatie dus nooit objectief waar. Je referentiekader en selectieve waarneming speelt dus een rol speelt in het proces van jouw beeldvorming. Ook jij maakt een selectie van wat jij onthoud vanuit jouw achtergrond, kennis, waarden en normen. Beeldvorming is dus een soort indruk krijgen van iets of iemand. Bij maatschappijleer is beeldvorming belangrijk. Pas na jouw beeldvorming kun je een standpunt bepalen.
Lees meer: http://maatschappijleer-2.webnode.nl/altijd-aan-de-onderkant-/begrippen/

Ook journalisten hebben ‘last’ van selectieve perceptie en hun eigen referentiekader, het zijn immers maar mensen. Dus het keuzemoment waarop een journalist beslist om over een bepaalde onderwerp wel of niet te schrijven is vaak niet objectief (objectief is feitelijk, zonder mening). Daarom heeft een journalist een aantal selectiecriteria voor welk nieuws er interessant is voor hem of haar.

Selectiecriteria van nieuws:

  • Actualiteit: wanneer is het gebeurd? Is het lang geleden, dan is het niet meer interessant voor in de krant.
  • Het bijzondere of uitzonderlijke van een gebeurtenis: het moet wel speciaal zijn wat er is gebeurd, anders vindt niemand het interessant om te lezen.
  • De nabijheid van het feit: iets wat dichtbij jou gebeurt wil je wel weten, maar of er bijvoorbeeld een inbraakgolf in China is, maakt jou niet zoveel uit.
  • Belangstelling van de doelgroep: voor wie is de website/krant bedoeld? Als het een krant voor jongeren is, dan vinden die nieuws over pensioen misschien minder interessant.
  • Doelstelling/identiteit van de krant, omroep of zender: de keuze van het nieuws heeft ook te maken met wie de website/krant/media is en wat ze belangrijk vinden om te vertellen. Zo zal het financieel dagblad meer over de economie schrijven en de telegraaf meer over criminaliteit.
  • Commerciële belangen: verkoopt mijn krant beter als ik dit stukje tekst plaats? Het belang van het maken van winst voor een krant, omroep of zender is erg belangrijk.

 

De genoemde selectieprocessen vinden plaats vanaf het moment dat een gebeurtenis wordt waargenomen door een journalist. Deze selectie kan betekenen dat er bij het publiek een bepaalde beeldvorming ontstaat. Daarom moeten journalisten altijd proberen om zo objectief en feitelijk, mogelijk te blijven. Er zijn verschillende criteria voor objectiviteit:

  • Een scheiding maken tussen feiten en meningen: niet je eigen mening in het stuk tekst schrijven.
  • Passende woorden en beelden kiezen: soms kunnen bepaalde woorden al suggestief zijn.
  • Hoor en wederhoor toepassen: altijd twee kanten van het verhaal beschrijven. Je informatie niet maar van één kant aannemen.
  • Meerdere bronnen gebruiken: niet maar op één bron afgaan, ook een bron is subjectief.

 

 

Paragraaf 3: Beïnvloedingstheorieën, functies van de media voor de samenleving en voor het individu

Omdat de media dus niet altijd even objectief ijn en zij uitzenden wat zij willen hebben mensen niet altijd een eerlijk beeld van iets. Mensen worden echter wel beïnvloed door wat de media uitzenden/schrijven. Er zijn verschillende theorieën over hoe de mensen beïnvloed worden door de media. Dit zijn enkele beïnvloedingstheorieën:

  • Injectienaaldtheorie: dit is een theorie die ervan uit gaat dat ontvangers informatie heel makkelijk overnemen. Druppeltje voor druppeltje worden mensen beïnvloed door wat ze zien en horen. Als er veel geweld is in realityshows dan kunnen mensen, volgens de injectienaaldtheorie, langzaam maar zeker gaan geloven dat dit normaal is.
  • Multiple-step-flowtheorie: deze theorie gaat er vanuit dat mensen met gezag (ook wel opinieleiders genoemd, en dit zijn mensen die binnen een bepaalde kring (gezin, school, werk, vriendenkring) veel gezag hebben.) via de media veel invloed hebben, niet de media zelf. Dus je luistert naar wat de paus zegt, omdat je gelovig bent. Of je neemt eerder iets aan van een bekende Nederlander. Daarom worden zij ook vaak voor reclames gebruikt. Als onze minister president zegt dat we uit de financiële crisis kruipen, dan geloof je dit omdat hij een opinieleider is.
  • Selectieve perceptietheorie: het maakt eigenlijk niet zoveel uit wat er aangeboden wordt, want mensen maken bewust of onbewust eigen keuzes bij mediagebruik. Ze kijken wat ze willen kijken en halen hier uit wat ze zelf willen. Zoals eerder beschreven heeft dit te maken met hun referentie kader.
  • Agendatheorie: een theorie die beschrijft dat de media weinig invloed hebben op hoe mensen ergens over denken maar wel veel invloed op waar mensen over denken. Als de media er over schrijft, dan pas gaan mensen er over nadenken. Maar als het nooit in de media was geweest, waren mensen er helemaal niet mee bezig geweest (en was het wellicht dus ook geen probleem).

Indoctrinatie, propaganda en manipulatie:

Propaganda wil zeggen dat er uitsluitend eenzijdige informatie wordt gegeven met als doel aanhangers voor een standpunt of zaak te winnen. Meestal is dan de media in handen van de staat. Indoctrinatie is het systematisch en voortdurend opdringen van bepaalde opvattingen en meningen aan het publiek, waardoor het denkpatroon sterk wordt beïnvloed. Bij manipulatie krijgt het publiek vervormde informatie over een bepaalde kwestie, omdat met opzet feiten worden weggelaten of verdraaid zonder dat de ontvanger dit merkt.
Manipulatie en Indoctrinatie hoeven niet altijd negatieve effecten te hebben. Bv. de campagnes van Postbus 51 zijn vaak een succesvolle manier om ons gedrag te beïnvloeden, zodat we bijvoorbeeld veilig vrijen, minder alcohol in het verkeer gebruiken en niet met vuurwerk stunten.

functies van de media

Massamedia heeft een functie voor mensen. Het programma goede tijden slechte tijden is vooral voor vermaak. Maar schooltv is meer als onderwijs bedoeld. RTL Boulevard is meer een roddelrubriek en bedoeld als ontspanning, maar een documentaire is weer erg informatief. Deze functies onderscheiden zich in twee soorten:

  • functies voor het individu: functies die voor jou persoonlijk zouden kunnen gelden.
  • functies voor de samenleving: functies die voor heel onze samenleving belangrijk zouden kunnen zijn, bijvoorbeeld met politiek.

De media heeft de volgende functies voor het individu:

  1. informatieve functie: informatie geven aan het publiek.
  2. onderwijzende functie: het publiek onderwijzen, iets willen leren.
  3. meningsvormende functie: door specialisten en andere mensen aan het woord te laten de media verschillende visies op problemen zien, zodat niet alleen zij, maar ook jij je mening kan vormen.
  4. Amusement functie: mensen amuseren. Mensen moeten het soms gewoon leuk vinden om iets te bekijken.
  5. Reclame functie: hier komen de commerciële belangen weer naar voren: de media moet ook geld verdienen, dit doen ze door reclames te plaatsen, uit te zenden.

 Infotainment=vermenging van amusement en informatie.

Functies voor de samenleving:

  1. Democratische functie: de media geven politici informatie over wat er speelt in de samenleving en geven burgers informatie over wat politici doen.
  2. Controle- en waakhondfunctie: de media let op het doen en laten van ministers, bedrijven en maatschappelijke organisaties.
  3. Socialiserende functie: de media is een socialiserend instituut die ons de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van de samenleving of groep aanleert.

Paragraaf 4: de invalshoeken voor de analyse van een maatschappelijk probleem

Bij maatschappijleer proberen we je te leren om een open kijk op de wereld te creëren en je mening te vormen. We hebben allemaal te maken met maatschappelijke problemen; problemen die niet enkel voor jou als individu gelden, maar voor de gehele samenleving. Maatschappelijke problemen worden ook wel sociale problemen genoemd, omdat het veel mensen in de samenleving raakt.

We spreken van een maatschappelijk probleem als het probleem voldoet aan de volgende 4 kenmerken:

  1. het is een sociaal probleem: het heeft gevolgen voor een grote groep mensen uit de samenleving.
  2. Het wordt veroorzaakt door maatschappelijke ontwikkelingen die alleen door de gemeenschap en/of door de politiek opgelost kan worden.
  3. Het heeft te maken met tegengestelde belangen en er zijn verschillende meningen over de oplossing van het probleem.
  4. de massamedia berichten over dit probleem. Je kan een maatschappelijk probleem altijd vanuit verschillende manieren = invalshoeken bekijken. Iedereen heeft immers zijn eigen mening en visie op het probleem, anders zou het geen probleem zijn? Je moet ook analyseren om een totaalbeeld te vormen over onderwerp. En dit totaal beeld heb je nodig om een goede mening te vormen.

analyse oog

 

 

 

 

 

Invalshoek 1: Wat is het probleem?

Iets is een maatschappelijk probleem als het voldoet aan de volgende kenmerken. Beantwoord deze vragen in je verslag, maar leg ook goed uit waarom het op specifiek jouw onderwerp slaat.

  1. Wat is het probleem? Omschrijf kort wat het probleem eigenlijk is.
  2. Waar speelt dit probleem? (stop een plaatje van een landkaartje van de locatie in je werkstuk)
  3. Wanneer speelde/speelt dit probleem?
  4. Waarom is dit een probleem?
  5. Is het een sociaal probleem? Dus hebben meerdere mensen er mee te maken? Wie hebben er dan mee te maken en waarom?
  6. Welke groepen en organisaties zijn er betrokken bij het probleem en waarom?
  7. Zijn er zijn verschillende meningen over? Wat zijn deze meningen?
  8. Kan het alleen opgelost worden met behulp van de overheid of als men met zijn allen samen gaat werken? Hoe dan?
  9. Hebben de massamedia er mee te maken/ of er invloed op? Wat doen ze er dan mee?

 

 

Invalshoek 2: sociaaleconomische invalshoek

Een probleem heeft altijd invloed op groepen mensen. Mensen hebben belangen en belangtegenstellingen bij het probleem. Soms is er ook sprake van maatschappelijke ongelijkheid, dan wordt niet iedereen gelijk behandeld. De vragen die je hier bij moet beantwoorden zijn:

  1. Welke belangen hebben de verschillende betrokken partijen (die je bij de 1e invalshoek hebt beschreven)?
  2. Welke maatschappelijke positie nemen de verschillende betrokken partijen in?
  3. Is er sprake van sociale ongelijkheid tussen de verschillende betrokken partijen?
    als er sprake is van ongelijkheid: waardoor komt dit dan?
  4. Wat heeft de maatschappelijke positie van een betrokken partij te maken met het belang waarvoor ze opkomen?
  5. Welke financiële aspecten hebben met dit probleem te maken? (speelt geld een rol en waarom?)

 

 

Invalshoek 3: Sociaal-culturele invalshoek:

Het wordt een probleem omdat er veel verschillende mensen mee te maken hebben uit veel verschillende culturen. LET OP: een cultuur is niet alleen iemand met een ander geloof of uit een ander land. Culturen zijn bijvoorbeeld ook: arbeiderscultuur, jongerencultuur, bejaardencultuur, etc. Je moet bekijken wat de verschillende betrokken partijen voor cultuur hebben, wat vinden zij belangrijk? Deze invalshoek heeft te maken met de begrippen: waarden, normen, culturen, pluriformiteit. De vragen die je moet beantwoorden zijn:

  1. Zijn de betrokken partijen verbonden met een bepaald cultuur? Waarom? Wat heeft dit met het probleem te maken?
  2. Welke waarden en normen hebben de verschillende betrokken partijen? Leg ook uit waarom dit te maken heeft met het probleem.
  3. Welke mening hebben de betrokken partijen over de oorzaken van het probleem?
  4. Welke mening hebben de betrokken partijen over de oplossingen van het probleem?
  5. Welke rol heeft de massamedia bij het ontstaan van meningen over dit probleem? (denk aan het ontstaan en in standhouden van beeldvorming, stereotypering en vooroordelen)

 

Invalshoek 4: politiek-juridische invalshoek

Ieder maatschappelijk probleem heeft te maken met de politiek. Zij zullen zich er mee moeten bemoeien om het op te kunnen lossen. En als de politiek iets verzint dan komen er wetten over. Wat heeft dit probleem allemaal met de politiek te maken en met bestaande/toekomstige wetten. Soms vind het politiek iets nog helemaal geen probleem, dan moet de bevolking het zelf duidelijk maken aan de politiek. Dat doen ze bijvoorbeeld door machtsmiddelen te gebruiken: ze voeren actie, ze mailen met de minister, verzamelen handtekeningen, etc. Gebruik de volgende vragen om het op te schrijven:

  1. Wat heeft de overheid tot nu toe aan het probleem gedaan?
  2. Staat het op de politieke agenda
  3. Wat vinden de verschillende politieke partijen (uit de Tweede Kamer) van het probleem. (beschrijf minstens de mening van een links, rechtse en christen democratische partij)
  4. Zijn er al wetten over? Welke?
  5. Zijn er actiegroepen/ organisaties bij betrokken?
  6. Welke machtsmiddelen hebben de verschillende betrokken partijen om het overheidsbeleid te beïnvloeden?
  7. Welk beleid en/of regelgeving wordt er nu door de overheid ontwikkeld?


Invalshoek 5: veranderings- en vergelijkende invalshoek

Een probleem heeft altijd te maken met veranderingen: vroeger was het immers anders dan nu. Zo was er vroeger geen probleem met hacking, er was immers geen internet. En nu zijn er erg veel wetten over hacken enzo. Ook is een probleem in het ene land wel aan de orde en in het andere land niet. Zo is in Nederland vreemdgaan niet strafbaar, terwijl men in een ander land daar levenslang voor in d gevangenis kan gaan.

  1. Hoe is het probleem/vraagstuk ontstaan?
  2. Bestond het ook al in vorige perioden? Hoe keek men vroeger tegen het probleem aan? Hoe ging dit in het verleden?
  3. Hoe gaat dit in andere landen? Komt het voor in andere landen? Hoe gaat de politiek er mee om in andere landen? Noem enkele voorbeelden van de wetten in andere landen.
  4. Hoe gaat dit in andere culturen?

 

Invalshoek 6: oplossingen en eigen mening

Als het al een probleem is, dan wordt er natuurlijk gezocht naar oplossingen. Maar men is het niet eens over de oplossingen, anders was het immers zo opgelost, toch?

Dus bij de laatste invalshoek ga je bekijken wat voor oplossingen er zijn bedacht.

En tenslotte zet je alles voor jezelf op een rijtje en bekijk je het probleem nogmaals van alle kanten; wat vind jij er van?

  1. Welke voorstellen om het probleem om te lossen hebben de verschillende betrokkenen?
  2. Welke oplossingen stellen de politieke partijen voor?
  3. Wat is de oplossing die de overheid (zal gaan) doen?

Vragen voor je eigen mening:

  1. Je hebt verschillende bronnen gebruikt voor je onderzoek:waren deze allemaal betrouwbaar en objectief (zonder mening) of ook subjectief (met mening)
  2. Welke oplossing vinden jullie het beste? Waarom?
  3. Met welke groepering ben je het meest eens en het minst eens? Waarom?

 

  • Kenmerken maatschappelijk probleem
  • Politiek-Juridische invalshoek= kijkt hoe zaken beter geregeld kunnen worden en welke verschillende politieke visies erover zijn
  • Sociaal-Culturele invalshoek= kijkt naar de verschillende normen en waarden en verschillenden culturele kenmerken van betrokken
  • Sociaal-Economische invalshoek= kijkt naar de maatschappelijke positie van mensen en hun tegengestelde belangen
  • Veranderings- en Vergelijkende invalshoek= kijkt naar verschillen met het verleden en met andere samenlevingen

Wil je de uitleg nog op een andere manier horen, kijk dan naar dit filmpje:

 

 

Voor hoofdstuk 4: Beeldvorming en stereotypering moet je kunnen:

  • Aangeven dat selectieve waarneming een rol speelt in het proces van beeld- en meningsvorming.
  • uitleggen dat het nieuws in de media slechts een deel is van wat er gebeurd is en dat de selectiecriteria hiervan een oorzaak is.
  • uitleggen welke selectieprocessen ervoor zorgen dat er slechts een deel van de dagelijkse gebeurtenissen in de media verschijnt
  • uitleggen hoe deze selectie de beeldvorming kan beïnvloeden.
  • uitleggen dat jij zelf uit informatie een selectie maakt vanuit jouw achtergrond, waarden en normen
  • noemen van voorbeelden van feiten en van meningen ten aanzien van verschillende maatschappelijke problemen
  • onderscheid kunnen maken tussen feiten en meningen.
  • onderscheid kunnen maken tussen objectief en subjectief.
  • Criteria voor objectiviteit van een journalist kunnen herkennen
  • in een gegeven situatie de invloed van de media op het in stand houden van rolpatronen herkennen.
  • Beïnvloedingstheoriën over de invloed van de media kunnen noemen
  • vooroordelen herkennen
  • discriminatie herkennen
  • stereotypes herkennen
  • voorbeelden noemen van gevallen van discriminatie en vooroordelen en kunnen omschrijven wat onder discriminatie en vooroordelen wordt verstaan.
  • Oorzaken van discriminatie noemen
  • de gevolgen beschrijven die discriminatie heeft voor individuen en groepen in de samenleving.
  • voorbeelden noemen van maatregelen ter bestrijding van discriminatie.
  • Kenmerken van een maatschappelijk probleem kunnen noemen
  • De invalshoeken voor het analyseren van een maatschappelijk probleem kennen
  • Kenmerken van de Politiek-juridische invalshoek uit een maatschappelijk probleem halen
  • Kenmerken van de Sociaal-Culturele invalshoek uit een maatschappelijk probleem halen
  • Kenmerken van de Sociaal-Economische invalshoek uit een maatschappelijk probleem halen
  • Kenmerken van de Veranderings- en Vergelijkende invalshoek uit een maatschappelijk probleem halen
  • Over de vaardigheid beschikken om een goed verslag te schrijven
  • Over de vaardigheid beschikken om groepswerk te kunnen reflecteren