Hoofdstuk 1: Cultuur en socialisatie

socialisatieHet eerste hoofdstuk gaat over Cultuur en Socialisatie.

Hierin leer je hoe je van baby tot volwassene jezelf aanpast aan de normen en waarden van onze cultuur. Maar je leert ook iets over andere culturen. We kijken naar hoe we zelf gesocialiseerd zijn, maar we kijken ook naar andere mensen. In dit hoofdstuk staat het thema: Hoe word je wie je bent en seksuele diversiteit centraal.



Eigenlijk behoort iedereen tot een cultuur. Cultuur is niet alleen behoren tot een geloof of een andere afkomst hebben. Onder cultuur verstaan we alle gewoonten die zijn aangeleerd (dus bijv. de taal, het eten enz.), normen en waarden van een bepaalde groep. Kenmerken van een cultuur zijn: kennis, gewoonten, normen, waarden, opvattingen, kunst, sport, symbolen en feestdagen. Je hebt een dominante cultuur dat is de cultuur van de grootste groep mensen van een gebied (hier in Nederland is dat bijv. het spreken van de Nederlandse taal, tolerantie, vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen, het vieren van Koningsdag en sinterklaas enz.). Maar je hebt ook vele subculturen. Kleinere groepen mensen met dezelfde cultuurkenmerken. Mensen kunnen deel uitmaken van meerdere subculturen tegelijk. Voorbeelden van verschillende culturen zijn:

  1. Geloofsculturen
    • Christenen
    • Islamieten
    • Joden
    • Hindoestanen
    • Boeddhisten
    • etc
  2. jongerenculturen
    • skaters
    • kakkers
    • emo’s
    • hippies
    • alto’s
    • etc
  3. bedrijfs- of werkculturen:
    • arbeiders
    • werkgevers
    • ondernemers
    • ambtenaren
    • etc
  4. culturen binnen een bepaalde sport/hobby
    • voetbal
    • hockey
    • scouting
    • postzegelverzamelaars
    • paardenliefhebbers
    • etc

En zo zijn er nog veel meer voorbeelden van subculturen te noemen. Nederland is een multiculturele samenleving geworden, doordat er heel veel verschillende cultuurgroepen zijn in Nederland (bijv. Friezen, Marokkanen, Limburgers, Amerikanen, Skaters, Miljonairs, Arbeiders, Milieuactivisten enz.) Er is ook een constante beweging binnen subculturen, er ontstaan nieuwe en oude verdwijnen. Ook tussen lagere en hogere milieus is er een verschil in cultuur. De ene groep heeft andere normen, waarden en gebruiken dan de andere groep, maar alle behoren tot de dominante Nederlandse cultuur. Ook is het nodig dat je je moet houden aan de normen, waarden en gebruiken van jouw subcultuur, omdat je anders het risico loopt uitgesloten te worden. Ook is dat gedrag (kleding, enz.) een middel om te laten zien aan anderen dat je ergens bij hoort.

 

Zodra mensen geboren worden behoren ze eigenlijk al tot een cultuur. Alleen weten baby\s nog helemaal niet hoe zij zich zouden moeten gedragen. Het proces waarbij iemand de normen, waarden en cultuurkenmerken van zijn samenleving of groep aanleert heet socialiseren. Iemand die in een grote stad geboren wordt socialiseert anders dan iemand uit een klein dorpje. Iemand met veel broers en zussen socialiseert anders dan een enig kind. Socialiseren doe je met behulp van ‘nurture’ wat opvoeden betekend. Ook heb je als baby al gewoontes die zijn aangeboren. Bijvoorbeeld het vermogen om klanken voort te brengen of bepaalde aspecten in je karakter. Dit noemen we ‘nature’. Het gedrag van mensen is altijd een combinatie van nature en nurture; het is aangeboren en aangeleerd.

Wat ook een zeer belangrijke rol speelt bij je socialisatie zijn socialiserende instituties. Instellingen, organisaties waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt:
1) het gezin (eerste lach, eerste woordjes, eerste stapjes)
2) de school (samenwerken, discipline, taken verrichten)
3) het werk (prestaties leveren, bepaald je leefritme)
4) maatschappelijke groepering (sportclubs, geloofsrichtingen)
5) de overheid (wetten waar je, je aan moet houden)
6) de vriendenkring (grote invloed op de normen en waarden van mensen)
7) de media (belangrijk voor de verspreiding van onze cultuur)

In onze huidige samenleving zijn diploma’s (en dus opleiding) een steeds groter rol gaan spelen. Dat betekent dat jongeren langer naar school gaan en ook langer onder de invloed blijven van de school als socialiserende institutie. Ook zijn er steeds meer ouders die beide werken, waardoor er van de school meer wordt gevraagd in het socialisatieproces. De rol van de kerk en het gezin als socialiserende instituties is steeds kleiner geworden en een gevolg hiervan is o.a. dat de school de jongeren op vele aspecten socialiseert: van bijvoorbeeld aidsvoorlichting in lessen tot het aanleren van discipline in de huiswerkklas. Je leert ook wanneer je iets goed of fout doet omdat andere mensen op je letten. Dit heet: Sociale controle.
Het is al een aantal keer genoemd, veel mensen hebben het er over, in de politiek praten ze erover, wat is goed en wat is slecht? Het gaat hier over normen en waarden. Een waarde is iets wat je belangrijk vindt. Je kunt het bijvoorbeeld belangrijk vinden dat je rekening houdt met elkaar, of dat je gelijk behandelt wordt, dat je vrienden hebt, dat je iemand helpt die in de problemen zit, dat je je eigen rommel opruimt, geen dingen doet die niet mogen, enzovoort. Deze waarden zijn vaak uit te drukken in enkele woorden zoals: gelijkheid, waarheid, respect, vrijheid, veiligheid, etc. En omdat je die zaken belangrijk vindt houd je je aan bepaalde regels/wetten en spelregels. Zulke gedragsregels noemen we normen. Normen en waarden liggen heel dicht bij elkaar, het heeft rechtstreeks met elkaar te maken.
Je kan het eens zijn met iemands normen en waarden, maar soms botsen jullie normen en waarden met elkaar. Dan kan je vinden dat iemand abnormaal of asociaal gedrag vertoont. Als iemand heel andere normen en waarden dan jij er op na houdt, maar jij accepteert dit wel van de ander, dan kan je zeggen dat je tolerant bent.  Tolerantie: verdraagzaamheid, ieder mens moet kunnen denken en geloven wat hij wil. Door iemands normen, waarden en dus zijn gedrag krijg je een bepaald beeld van die persoon. Het beeld dat je van iemand hebt, hangt samen met het begrip rolgedrag. het gedrag dat anderen van jou in een bepaalde situatie verwachten. Bijvoorbeeld als je in een winkel werkt, zeg je alstublieft en dank u wel tegen de klanten en zit je niet steeds op je mobiel, ook draag je nette kleding. De ene keer ben je het kind van je ouders, dan weer de leerling, dan weer de klant van de winkel etc. Door je rolgedrag passen we ons aan aan de normen en waarden van de omgeving. Bijvoorbeeld als nieuwslezer wil je liever niet plotseling zomaar in snikken of in lachten uitbarsten. Aan de andere kant is het prettig als je thuis of bij vrienden je rol kunt loslaten en je emoties mag tonen. Als de serieuze nieuwslezers ineens wel in huilen uitbarsten spreken we van roldoorbrekend gedrag: ander gedrag dan wat je van iemand verwacht. Als het lieve stille meisje uit de klas bijvoorbeeld ineens een harde boer laat.

 

wat ook te maken heeft met jouw socialisatie en cultuur is je seksuele moraal: hoe er over seks wordt gedacht. Je moraal is persoonlijk en wordt sterk bepaald door opvoeding en geloof. Zo zijn er mensen die pas seks willen na het huwelijk terwijl andere mensen al seks hebben na een eerste date. De meeste mensen in Nederland zijn monogaam. Dat wil zeggen dat ze een relatie willen tussen twee personen. Maar sommige mensen hebben een seksueel moraal waarbij ze een relatie met meerdere mensen tegelijkertijd normaal vinden. Dat het polygamie. Wat jij zelf vindt is natuurlijk heel erg persoonlijk. Het heeft er mee te maken hoe tolerant je bent hoe jij naar andere mensen hun seksuele moraal kijkt. Homo’s en transgenders hebben ook een eigen seksueel moraal. Soms is er sprake van een dubbel moraal: dat er voor jongens andere normen gelden dan voor meisjes. Als een jongen meerdere meisjes heeft gehad is hij stoer, maar als een meisje veel jongens heeft gehad is zij een slet. Seksuele moraal kan dus erg verwarrend zijn.

Al met al ben je als mens veel bezig met het worden zoals je bent, er zijn vele aspecten van invloed op jouw leven en jouw gevoelens. Hopelijk heb je daar door dit hoofdstuk een beetje meer over na leren denken.

 

Voor de SET van hoofdstuk 1: cultuur en socialisatie moet je kunnen:

  • De invloed van het socialisatieproces herkennen en beschrijven.
  • Met voorbeelden verduidelijken dat ontwikkeling en gedrag van personen door zowel maatschappelijke factoren (nurture) als door nature bepaald wordt.
  • kunnen beschrijven hoe een mens zich ontwikkelt tot lid van een samenleving.
  • het verschil kunnen benoemen tussen nature en nurture
  • kunnen aangeven hoe nature en nurture van invloed zijn op de ontwikkeling en het gedrag van personen.
  • van een gegeven situatie beoordelen welke nature– en nurturefactoren een rol spelen.
  • Het socialisatieproces in een gegeven situatie herkennen en benoemen
  • Uitleggen welke socialiserende instituties een rol spelen bij het socialisatieproces:
    • het gezin (en andere samenlevingsverbanden),
    • kerk,
    • school,
    • jeugdgroepen,
    • (sport)verenigingen,
    • werk
    • de buurt.
    • massamedia
  • Uitleggen waarom het onderwijs een steeds belangrijker functie in het socialisatieproces heeft
  • kunnen beschrijven hoe socialiserende instituties een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling en het gedrag van mensen en het socialisatieproces.
  • de rol van de massamedia in het socialisatieproces uitleggen en verduidelijken.
  • Beschrijven hoe beïnvloedingsprocessen zoals belonen/straffen, imitatie en identificatie een rol spelen bij de socialisatie.
  • kunnen beschrijven wat waarden en normen zijn en voorbeelden geven
    (Vriendelijkheid en elkaar groeten)
  • Van een gegeven situatie kunnen uitleggen hoe waarden en/of normen het gedrag hebben bepaald.
  • Typen subculturen onderscheiden en verschillen tussen deze groepen herkennen.
  • Leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden verschillende typen subculturen herkennen en aangeven dat deze subculturen andere normen en waarden en gebruiken hebben. Zij kunnen voorbeelden van jeugdculturen noemen.
  • Leerlingen kunnen verschillen benoemen tussen de typen subculturen en de door hen gehanteerde normen en waarden.
  • met behulp van voorbeelden verduidelijken wat het voor iemand kan betekenen om tot een subcultuur te behoren.
  • een verband kunnen leggen met het behoren tot een subcultuur en het socialisatieproces, en dan vooral met de opvoeding en de leefsituatie.
  • kunnen benoemen wat het lid zijn van een subcultuur betekent in het dagelijks leven ten aanzien van gedrag, kleding, enz. en hiervan voorbeelden geven.
  • kunnen uitleggen wat de waarden en normen in een subcultuur voor gevolgen hebben voor het gedrag van de leden
  • kunnen voorbeelden noemen van situaties in het leefmilieu waardoor het voor een mens moeilijk of juist makkelijker is om succes te hebben
  • Vanuit de sociaal-culturele invalshoek sociale en maatschappelijke vraagstukken benaderen:
    • welke waarden hij/zij gemeenschappelijk met anderen heeft
    • welke tegengestelde waarden anderen kunnen hebben
    • welke normen hij/zij gemeenschappelijk met anderen heeft
    • welke normen voor anderen gelden
  • wat is tolerantie?
  • welke ideeën van andere mensen en van je zelf zijn waardevol?
  • welke ideeën hebben mensen over wat wel en niet hoort?
  • Kunnen beschrijven van monogamie is en hier een mening bij vormen
  • Kunnen beschrijven van polygamie is en hier een mening bij vormen
  • Kunnen beschrijven van het begrip seksueel moraal is
  • Kunnen uitleggen wat een dubbel moraal is en hier voorbeelden van geven
  • Kunnen uitleggen wat een dominante cultuur is en voorbeelden geven van de Nederlandse dominante cultuur
  • Voorbeelden geven van jongerenculturen en deze uit teksten herkennen
  • Uitleggen wat roldoorbrekend gedrag is en hier voorbeelden van geven
  • Uitleggen wat rolgedrag is en hier voorbeelden van geven

 

.