H4 les 5

Verslag opdracht 4: analyse invalshoeken

 

Nu gaan jullie je verder verdiepen in het maatschappelijke probleem. Je mag naast de kranten ook andere bronnen gebruiken voor informatie zoals het journaal, andere programma’s, internet, etc. Je moet in principe ‘expert’ worden over dit onderwerp. Je beantwoord per invalshoek vragen over het maatschappelijk probleem. Je zult zien dat je niet veel hiervan kan googlen, maar dat je vaak zelf moet nadenken en beredeneren wat de antwoorden op de vragen zullen zijn.

Zodra je voldoende weet over het onderwerp ga je het analyseren. Je doet dit aan de hand van de invalshoeken van maatschappijleer:

  1. Sociaaleconomische invalshoek
  2. Sociaalculturele invalshoek
  3. Politiek juridische invalshoek
  4. Vergelijkende invalshoek

Je moet voor je verslag per invalshoek minimaal 500 woorden gebruiken! Je werkt met lettertype ARIAL, grote 12, alinea enkel.

Je moet voor het werkstuk alle vragen die bij de invalshoeken staan beantwoorden. Per invalshoek, moet je minstens 500 woorden, exclusief de vragen, typen! Als je vragen niet begrijpt, of als je denkt er geen antwoord op te kunnen geven, kom dan ruim op tijd vragen stellen! Waarom moet je eigenlijk een analyse maken? Je kan een maatschappelijk probleem altijd vanuit verschillende manieren = invalshoeken bekijken. Iedereen heeft immers zijn eigen mening en visie op het probleem, anders zou het geen probleem zijn? Je moet ook analyseren om een totaalbeeld te vormen over onderwerp. En dit totaal beeld heb je nodig om een goede mening te vormen.

Invalshoek 1: sociaaleconomische invalshoek

Een probleem heeft altijd invloed op groepen mensen. Mensen hebben belangen en belangtegenstellingen bij het probleem. Soms is er ook sprake van maatschappelijke ongelijkheid, dan wordt niet iedereen gelijk behandeld. De vragen die je hier bij moet beantwoorden zijn:

  1. Welke belangen hebben de verschillende betrokken partijen (die je bij opdracht 2: “wat is het probleem” hebt beschreven)?
  2. Welke maatschappelijke positie nemen de verschillende betrokken partijen in?
  3. Is er sprake van sociale ongelijkheid tussen de verschillende betrokken partijen? als er sprake is van ongelijkheid: waardoor komt dit dan?
  4. Wat heeft de maatschappelijke positie van een betrokken partij te maken met het belang waarvoor ze opkomen?
  5. Welke financiële aspecten hebben met dit probleem te maken? (speelt geld een rol en waarom?)

Invalshoek 2: Sociaal-culturele invalshoek:

Het wordt een probleem omdat er veel verschillende mensen mee te maken hebben uit veel verschillende culturen. LET OP: een cultuur is niet alleen iemand met een ander geloof of uit een ander land. Culturen zijn bijvoorbeeld ook: arbeiderscultuur, jongerencultuur, bejaardencultuur, etc. Je moet bekijken wat de verschillende betrokken partijen voor cultuur hebben, wat vinden zij belangrijk? Deze invalshoek heeft te maken met de begrippen: waarden, normen, culturen, pluriformiteit. De vragen die je moet beantwoorden zijn:

  1. Zijn de betrokken partijen verbonden met een bepaalde cultuur? Waarom? Wat heeft dit met het probleem te maken?
  2. Welke waarden en normen hebben de verschillende betrokken partijen? Leg ook uit waarom dit te maken heeft met het probleem.
  3. Welke mening hebben de betrokken partijen over de oorzaken van het probleem?
  4. Welke mening hebben de betrokken partijen over de oplossingen van het probleem?
  5. Welke rol heeft de massamedia bij het ontstaan van meningen over dit probleem? (denk aan het ontstaan en in standhouden van beeldvorming, stereotypering en vooroordelen)

Invalshoek 3: politiek-juridische invalshoek

Ieder maatschappelijk probleem heeft te maken met de politiek. Zij zullen zich er mee moeten bemoeien om het op te kunnen lossen. En als de politiek iets verzint dan komen er wetten over. Wat heeft dit probleem allemaal met de politiek te maken en met bestaande/toekomstige wetten. Soms vind het politiek iets nog helemaal geen probleem, dan moet de bevolking het zelf duidelijk maken aan de politiek. Dat doen ze bijvoorbeeld door machtsmiddelen te gebruiken: ze voeren actie, ze mailen met de minister, verzamelen handtekeningen, etc. Gebruik de volgende vragen om het op te schrijven:

  1. Wat heeft de overheid tot nu toe aan het probleem gedaan?
  2. Staat het op de politieke agenda
  3. Wat vinden de verschillende politieke partijen (uit de Tweede Kamer) van het probleem. (beschrijf minstens de mening van een links, rechtse en christen democratische partij)
  4. Zijn er al wetten over? Welke?
  5. Zijn er actiegroepen/ organisaties bij betrokken?
  6. Welke machtsmiddelen hebben de verschillende betrokken partijen om het overheidsbeleid te beïnvloeden?
  7. Welk beleid en/of regelgeving wordt er nu door de overheid ontwikkeld?

Invalshoek 4: veranderings- en vergelijkende invalshoek

Een probleem heeft altijd te maken met veranderingen: vroeger was het immers anders dan nu. Zo was er vroeger geen probleem met hacking, er was immers geen internet. En nu zijn er erg veel wetten over hacken enzo. Ook is een probleem in het ene land wel aan de orde en in het andere land niet. Zo is in Nederland vreemdgaan niet strafbaar, terwijl men in een ander land daar levenslang voor in d gevangenis kan gaan.

  1. Hoe is het probleem/vraagstuk ontstaan?
  2. Bestond het ook al in vorige perioden? Hoe keek men vroeger tegen het probleem aan? Hoe ging dit in het verleden?
  3. Hoe gaat dit in andere landen? Komt het voor in andere landen? Hoe gaat de politiek er mee om in andere landen? Noem enkele voorbeelden van de wetten in andere landen.
  4. Hoe gaat dit in andere culturen?